NL / EN
Laatst bijgewerkt op 31-5-2017

Vreedzame bedoelingen

Stel je een ruiter voor, die traag een stoffige weg volgt door korenvelden die nu al een ongewoon rijke oogst beloven. Het paard trekt een spoor van witte wolken. De ruiter leunt naar voren in het zadel, bijna knikkebollend. Hij tast naar een waterzak, knijpt de laatste druppel eruit. Drie kauwen kijken toe.

Stel je het landschap voor: het eindeloze goudgeel, golvend als de zee onder de trillende lucht. Volg de blik van de ruiter, over de halmen heen, naar het stro dat een dak vormt en de belofte van schaduw, water, rust.

Het paard heeft geen aanmoediging nodig.

Ik sta op wacht als de ruiter het hek bereikt. Achter me lopen de dames zacht pratend van de zon te genieten, zich van geen kwaad bewust, en dat wil ik zo houden. Ik stap naar voren, draai mijn hoofd om hem eerst met het ene, dan het andere oog te bekijken. Hij kijkt over me heen: naar de zeug die rondscharrelt met haar inmiddels forse biggen, naar de hond die op de deurmat ligt te soezen, naar mijn zacht tokkende kippen, naar de waterput. Hij lijkt jong, met stoffig blond haar onder een vilten hoed en stoffige kleren die in de vouwen nog groen, rood en blauw zijn. Ook zijn stem klinkt stoffig. ‘Volluk!’

Het paard leunt over het hek om een pluk gras te bereiken. Ik pik waarschuwend in de richting van haar neus. Ze briest en kijkt kauwend op me neer met ogen vol vliegen.

‘Volluk?’ herhaalt de ruiter. ‘Hallo? Iemand thuis?’

Ik zet mijn kam omhoog en daag hem uit met mijn ogen: waag het eens om dat hek open te maken, mijn erf te betreden. Waag het eens.

De jongeman stijgt af en hoest van het opwervelende stof. Zijn hand reikt naar de grendel. Ik zuig mijn longen vol en kraai alsof het geluid de zon nog omhoog moet duwen, die daar overigens de laatste weken weinig hulp bij nodig heeft gehad. In de halve seconde dat de hand aarzelt, slaat eindelijk de hond aan. Blaffend rent hij het erf over, met een boog om de zeug heen, en laat de reiziger op niet mis te verstane manier weten dat hij hier niet welkom is. De pluizige hangoren doen nauwelijks afbreuk aan het effect.

‘Kom nou, jongens.’ De hand rust nu op de paal van het hek, maar de blik gaat alweer naar de grendel. ‘Is dat nou echt nodig?’

De hond blaft. Ik spaar mijn keel, want ik heb achter me de scharnieren van de deur gehoord en voel nu het dreunen van de grond onder mijn poten. Ik maak plaats voor de boer. Hij houdt zijn jachtgeweer losjes tegen zijn schouder terwijl hij van ergens tussen zijn snor en wenkbrauwen naar de vreemdeling en het paard omhoog tuurt. ‘Mot da’?’

De jongeman achter het hek neemt zijn hoed af en maakt een buiging waarmee hij voor even helemaal uit het zicht verdwijnt. ‘Een uitstekende middag gewenst, goede man,’ zegt hij als hij weer tevoorschijn is gekomen. De hond, een moment verward, begint weer blaffend rond te springen. De boer gromt. Ik houd het paard nauwlettend in de gaten, dat op de modderige trog net buiten haar bereik loert.

‘Wat staat uw koren er voortreffelijk bij, als ik zo vrij mag zijn dat op te merken,’ vervolgt de vreemdeling. ‘Zou u mij wellicht willen toestaan om mijn waterzak te vullen bij uw put en mij een korte tijd op uw erf te verpozen?’

Opnieuw gromt de boer. Ik moet wegduiken voor de hond en kan de precieze woorden niet volgen, maar vanaf de rand van de trog hoor ik het antwoord van de bezoeker. ‘Ik ben de beek gepasseerd, mijn beste, en op het ogenblik is er niet meer dan een modderig stroompje in het midden van de bedding.’

‘Niks mee te maken,’ antwoordt de boer. Hij verplaatst nadrukkelijk het jachtgeweer naar zijn andere schouder. ‘Dit is mijn erf, en volk als jou kan oprotten.’

Met een glimlach steekt de jongeman zijn handen in de lucht. ‘Alstublieft, waarde heer: een slokje water uit de put voor mij en mijn paard, een moment rust voor onze vermoeide lijven, en dan zullen we weer uit uw leven verdwijnen. Ik kom hier met niets dan vreedzame bedoelingen, dat verzeker ik u.’

Het jachtgeweer komt van de schouder, de borstelige wenkbrauwen grijpen in elkaar. ‘Nou, je ken ze ergens anders mee naartoe nemen. Ik mot ze nie’.’

Het paard kijkt me vragend aan en de vliegen in haar ogen kijken mee. Ik bol mijn vleugels om de woorden van de boer kracht bij te zetten. De vreemdeling maakt een nieuwe buiging, maar ditmaal blijft zijn gezicht boven de rand van het hek.

‘Dan wens ik u verder nog een plezierige dag toe,’ zegt hij. Hij klopt het paard op haar hals, klimt in het zadel, en samen sjokken ze het pad af. Achter me hoor ik het nieuwsgierige kakelen van mijn dames en ik flapper het hek op om de indringer luid kraaiend uit te jouwen. De hond blaft nog minutenlang door.

Een hanenleven bestaat uit constante alertheid, en daar ben ik me terdege van bewust terwijl ik net buiten de openstaande ren tussen de hennen rondstap. Ik sta stil om te zien of een poot al hersteld is, let op of ook de kleintjes genoeg eten, en breek een ruzie op door me met veel kabaal tussen beide dames te gooien zodat ze elk naar een andere kant van de groep vluchten. Ondertussen verlies ik ook de omgeving geen moment uit het oog. De warmte mag dan nog zo drukkend op het land liggen, wie zich daardoor in slaap laat sussen – zoals de hond, op de deurmat met zijn luie kop op zijn poten – tart het noodlot.

Geef mij dan liever de boer. Waar hij precies mee bezig is in de schuur, is mij een raadsel; ik houd me bij mijn eigen verantwoordelijkheden. Maar de deur staat wijd open om hem een ongehinderd uitzicht te bieden op de put en het toegangshek, en het geweer ligt klaar op een krat.

Voor mijn voeten duikt een worm op, verward door onze krabbende tenen. Het is een vet exemplaar en ik roep klokkend een van de meer vooraanstaande dames naar me toe om haar te trakteren. Nog voor ze zich heeft omgedraaid, landt er een merel voor me, die hondsbrutaal de worm uit de grond trekt. Een tel later zit het zwarte mormel op het dak van de kippenren zijn buit naar binnen te werken. Een lijster in een van de populieren lacht me uit.

Razend staar ik naar de dief. Mijn onomstreden heerschappij over het erf heeft me traag gemaakt, als het niet toch de hitte is. Beter opletten, en hopen dat niemand gezien heeft wat er gebeurde… Maar op een enkeling na hebben de dames het scharrelen en pikken gestaakt. Ik zet mijn nekveren op en maak me klaar om alsnog de merel aan te vliegen, als ik de vleugelslagen hoor.

Ineens zijn ze overal. Tien, twintig duiven strijken neer op de nok van het boerderijdak terwijl minstens evenveel nog rondcirkelen. Een zwerm mussen daalt neer uit de populieren en landt op de trekker naast de schuur, een handvol kauwen eigent zich simpelweg een hoek van het erf toe. Zwaluwen scheren vlak over mijn hoofd. De kippen drommen stil om me heen. Het fluiten, koeren, tsjilpen en krassen overstemt de verbijsterde uitroep van de boer als hij de schuur uit komt.

Hij herstelt zich op hetzelfde moment als ik en rent met zwaaiende armen op de kauwen af, die over hem heen vliegen en een paar meter verderop gaan zitten. Ik neem een aanloop en flapper de ren op. De wormendief en de soortgenoten die hem inmiddels gezelschap zijn komen houden, verkassen naar de omheining die het erf van het graanveld scheidt. Als ik achter ze aan spring en de afstand net niet haal, vliegen ze fluitend terug.

Andere fluitklanken worden hoorbaar in de kakafonie: snelle riedeltjes en trillers afgewisseld met korte, schelle noten. Ik jaag de merels een tweede keer van de ren af en vanaf die hoge positie zie ik de stoffige vreemdeling over de toegangsweg lopen, een dwarsfluit aan zijn mond. Een paar van de kauwen vliegen hem tegemoet en één nestelt zich op zijn schouder.

De boer stopt met schreeuwen tegen de zwaluwen. Hij draait zich naar het hek en ik hoef zijn gezicht niet te zien om me de woeste blik in zijn ogen te kunnen voorstellen. ‘Jij! Jij heb die beesten behekst!’

De jongeman leunt tegen het hek en speelt verder, alsof hij volledig opgaat in zijn muziek. Maar als de dubbele loop van het geweer op enkele centimeters van zijn gezicht stilhoudt, haalt hij de fluit van zijn lippen. Wat hij zegt, versta ik niet, maar zijn gebaren maken duidelijk dat hij de vogels weg zou kunnen lokken. Hij wijst naar de put.

Een paar kippen die zich onder me in het nachthok verschanst hebben, klokken zachtjes tegen elkaar. Ik hoor hun medeleven en moet zelf toegeven dat, hoewel het volkomen begrijpelijk is in zijn positie dat de boer aan zijn principes vasthoudt, ik de vreemdeling met zijn gekleurde kleren best een emmertje water zou gunnen. Hij hoeft er niet eens het erf voor op te komen als we het naar hem toe brengen.

De boer richt zijn dubbelloops iets omhoog en opzij. De jongeman duikt weg, de kauw vliegt op van zijn schouder, een knal en de vogel stort neer op de weg. Ik strek mijn nek om te kunnen zien wat er gebeurt. Het dier slaat wanhopig met één vleugel als de muzikant het oppakt. Er worden geen woorden meer verspild; de boodschap is duidelijk.

Maar de andere vogels blijven.

Hun wraak wordt voltrokken als de boer even later een aanhanger aan de trekker koppelt en naar het hek rijdt om hooibalen van het veld te gaan halen. De mussen zijn opgevlogen zodra de motor aansloeg, maar de man is nog niet uitgestapt om het hek te openen of hij wordt van alle kanten belaagd door snavels en klauwen. Zijn maaiende armen, het enige wat ik nog van hem zie, halen niets uit. Pas als het jachtgeweer in zijn handen verschijnt, nemen de vogels voldoende afstand om zijn gezicht te onthullen, rood aangelopen waar het niet door haar bedekt is. Hij richt, schiet in het luchtledige, en slaakt een kreet wanneer drie duiven het wapen uit zijn handen tillen.

Mijn hennen scharrelen onrustig om me heen, loom van de hitte, moe van de spanning, zenuwachtig door de drukte op het erf. We stuiven uiteen als de boer langs stampt en terugkomt met een ladder. Ik hoor hem puffen en schelden terwijl hij het dak van de boerderij op klimt, hoor de kreet van triomf, de flapperende vleugels, de schreeuw, de plof. Als hij weer langs komt, sleept hij met een been, zwaar leunend op een spade. Zijn ogen schieten vuur. Hij staat stil en verzekert me: ‘Nu is het oorlog.’

Ik kijk ernstig terug. Hij trommelt met zijn vingers op de spade en fronst. ‘En drie keer raaien waar die vlegel nou écht op uit is…’

Een van de knechten laat zichzelf het hek in, hooivork in de hand, hemd doorweekt van het zweet. Hij staat stil bij de trekker die onverstoorbaar voor zich uit bromt en kijkt naar de duiven op de trillende motorkap. De strijd waarin ze het voertuig op de mussen hebben veroverd, was snel beslist, waarna ze het met witte strepen als hun territorium hebben gemarkeerd. Verderop kibbelen eksters onderling om een plekje op de waterput.

De schaduw van de populieren is naar het erf gedraaid en genoeg gegroeid om plaats te bieden aan mij en mijn dames. We luisteren naar de fluitmelodie die van achter de stammen voorbijdrijft, waar het paard van de reiziger op droog onkruid kauwt en van hemzelf alleen een elleboog zichtbaar is, op en neer bewegend op de maat van de muziek. De klanken zijn lager dan voorheen, herhalend, soms bijna klokkend. Het vormt een rustgevende tegenhanger voor het gehamer bij de kippenren.

Hoewel mijn ene oog gericht blijft op de elleboog bij de boom, voor het geval dat, houd ik met het andere de bewegingen van de boer in de gaten. De laatste keren dat hij aan ons hok kluste, verdween er een gat in het gaas of kwam de deur weer recht te hangen, maar zijn grimmige vastberadenheid baart me zorgen. Zijn been is provisorisch gespalkt en hij steekt het voor zich uit terwijl hij zittend op de grond iets aan de deur spijkert, onder tientallen toeziende ogen.

De knecht heeft zijn baas in de gaten gekregen en loopt op hem af. ‘De balen liggen klaar, hoor, we kunnen…’ Hij valt stil. ‘Wat hebbie met dat been gedaan?’

‘Wat hebbik? Wat hebben die klerevogels! We worden hier verdomme belegerd!’

Wat volgt is meer gevloek dan begrijpelijke uitleg, waarna de jongen met hooivork en al bij de deur van onze ren wordt gestationeerd. Hij kijkt langs de uitgestoken arm van de boer naar de populieren en knikt verward. Nog een paar spijkers worden in de deur gehamerd; een slot, zie ik nu.

De muziek stopt en de fluitspeler verschijnt op zijn hurken tussen twee boomstammen. Hij filtert beekwater door een zakdoek. Terwijl hij kleine slokjes drinkt, kijkt hij mij aan en knikt naar het tweetal achter me. ‘Toch een wonderbaarlijke reactie, vind je niet? Het kippenhok…’

Wonderbaarlijk? Ik weet het niet. Mensen zijn altijd al wonderbaarlijke wezens geweest.

De knecht gooit een handvol steentjes naar de rij zangvogels op de omheining. De boer hijst zich op één been overeind en roept scheldend om de hond. Vlakbij mijmert de vreemdeling: ‘Je zou bijna gaan vermoeden dat er daar iets kostbaars bewaard wordt.’

Ik draai mijn andere oog naar hem toe. Wonderbaarlijk traag van begrip, als het om sommige zaken gaat. Mijn hennen zijn het kostbaarste bezit van de hele boerderij.

Hij steekt een hand uit naar een van hen. Ik kom half overeind, snavel klaar om haar te verdedigen, maar ontspan als hij alleen met een vinger langs haar veren strijkt. Ze steekt trots haar kop in de lucht en tokt zachtjes om haar vriendinnen attent te maken op de speciale aandacht die ze krijgt.

Een steek van jaloezie trekt door me heen, maar aan de innemende blik van de jongeman zie ik dat hij niet op mijn positie uit is. Het enige wat hij wil is een emmertje water om zijn reis te kunnen vervolgen.

Hij buigt zich samenzweerderig naar voren en laat zijn blik over de verzamelde kippen gaan. Een paar schuiven tersluiks wat dichter naar hem toe.

‘Zouden jullie iets voor mij willen doen?’ vraagt de fluitspeler.

Stel je de boerderij voor, toegedekt door de schaduw van de populieren die slechts hier en daar onderbroken wordt door een vlekje warm licht. Vogels zitten op de dakrand en de omheining. Het zijn er minder dan er geweest zijn. Ze koeren en tsjilpen een zachte deken van geluid die zich vermengt met de zang van ontwakende cicaden.

Stel je de kippenhokbewakers voor: de vier bezwete knechten, de hond, de boer met zijn been op een krukje, en zijn vrouw, die borden met gekookte aardappelen, snijbonen en gehaktballen ronddeelt.

Een merel komt kijken. De boer richt zijn geweer, bedenkt zich.

Vanuit het graanveld klinkt zacht een klokkend melodietje. Ik verzamel de dames om me heen en kijk nog één keer achterom naar de deur van de kippenren. Liever had ik iedereen bij elkaar gehad, maar twee hennen hebben zich laten vangen voor de boer ongeduldig het slot dichtdraaide. Ze zijn alle twee wat ouder, en zitten tevreden in de avondzon op de loopplank naar het hok. Ik haal diep adem en kraai het teken.

We rennen op de populieren af waar de dames, driftig kakelend en knikkend met hun kop, het toonbeeld zijn van de spreekwoordelijke kip zónder. Ik, voorop, spreid mijn vleugels als om hen af te schermen van een dreiging achter de boomstammen. Een veeg vale kleur beweegt verderop tussen de graanhalmen. Ik vang een glimp op van een twinkeling in twee blauwe ogen, een twinkeling die ik herken uit mijn tijd als ondernemend jong haantje. Dan verdwijnt de vreemdeling verder het veld in.

Het duurt niet lang voor de boer twee knechten stuurt om te kijken wat ons zo bezighoudt. Ze stappen omzichtig tussen de kippen door, hooivork in de aanslag, een van de twee nog kauwend op zijn laatste hap. De ander kijkt links en rechts achter de bomen en keert schouderophalend terug. Een zwerm kauwen laat zich uit de takken vallen en hult hem krassend in een wolk van zwarte vleugels. Ik stuif weg om zijn schoenen te ontwijken.

De volgende momenten zijn een warboel van geschreeuw, gekakel en vliegende veren. Terwijl een derde knecht toesnelt en meer vogels zich in de strijd storten, is op de grond de paniek onder de hennen niet meer gespeeld. Van de ene stampende voet rennen ze recht naar de andere. Ik drijf er een paar naar het onkruid bij de schuur en ren meteen terug naar een kippetje dat midden tussen de drie mannen is ingesloten. Tussen de benen en dwarrelende veren door zie ik dat ook de drie bij het kippenhok worden aangevallen. De hond hapt om zich heen en jankt. Ik voel meer dan dat ik hoor hoe de achterblijvers daarbinnen onrustig worden.

‘Kijk die mussen!’ roept de boerenvrouw. Het gaas rammelt alsof er een klap op wordt gegeven. Ik geef de verstijfde kip een duw en loods haar naar de veiligheid.

‘Laat ze ‘t geld niet te pakken krijgen!’ schreeuwt de boer. Het geweer knalt.

Terwijl ik naar twee kippen toe ren die hun heil hebben gezocht tussen de populieren, klinkt uit de richting van het hok angstig gekakel. Ik sta stil; niets te zien door het geweld van duivenvleugels en mensenarmen heen. De twee gevluchte dames laten zich gedwee naar de rest toe leiden. Dan duik ik langs de benen van een knecht en zie de boerenvrouw de gaasdeur openen.

Mussen zijn door het gaas naar binnen gekropen en zwermen rond het nachthok. Mijn dames zitten ineengedoken in een hoek van de ren. Hun koppen kunnen niet snel genoeg bewegen om te zien wat er buiten gebeurt, maar de drie eksters die langs de vrouw binnendringen, zien ze onmiddellijk. Ze kakelen verontwaardigd. Ik storm naar voren en wurm me tussen een dik been en een deurpost door. Wat afleiding verzorgen voor een goed doel is nog tot daar aan toe – dit is het hart van mijn territorium dat die verenbalen met hun aanwezigheid bevuilen.

De boerenvrouw slaat met een hark tegen het hok. De mussen stuiven uiteen. Ik ren rondjes om ze door het gaas naar buiten te jagen terwijl eksters om mijn hoofd flapperen. Een van hen is zo onverstandig om voor een moment de grond te raken. Hij ontwijkt mijn klauwen maar bonst tegen het gaas in zijn haast om weg te komen. De volgende heeft minder geluk. Ik trek de veren met plukken uit zijn lijf voor een troep mussen me uit evenwicht brengt en de ekster zich los worstelt.

Een knal vlakbij; ik spring weg. De boer leunt tegen een hoek van de ren en vuurt het ene na het andere schot de lucht in. Zijn vrouw slaat duiven weg bij de deur terwijl de mussen en eksters opnieuw het hok veroveren. Ik laat mijn kop zakken en zet mijn nekveren op. Dat trekt de aandacht van de indringers. Ze kwetteren luid in een poging om mij en zichzelf wijs te maken dat ze niet bang voor me zijn.

Ik val aan. De oudste van de twee hennen springt naast me, vervaarlijk kakelend. Onder aanmoedigingen van de ander pikken en klauwen we naar de vogels en jagen ze de ren rond, de deur uit, de lucht in.

Mijn machtsvertoon heeft indruk gemaakt op de vogels buiten. Een voor een houden ze het voor gezien; de hond blaft ze na alsof het zijn verdienste is. Ik stel me triomfantelijk op in de deuropening en word zonder pardon opzij geschoven door de boer, die de ren in hinkt en zijn arm in het hok steekt. Zijn blik wordt angstig terwijl hij rond grabbelt, dan opgelucht. Hij haalt het kistje tevoorschijn dat in een hoek als verhoging dient en laat het aan zijn vrouw zien.

Ik fatsoeneer mijn veren. Nu het gekrakeel eindelijk is afgenomen, hoor ik de kippen bij de schuur bezorgd tegen elkaar kakelen, en als ik kijk…

Het hek is open. Het paard van de reiziger, met op haar rug een rij vogels van diverse pluimage, staat naast de put met haar mond in een emmer. De jongeman zelf hangt zijn waterzak terug aan zijn riem en kijkt afwachtend onze kant op. Achter me begint de boer te sputteren. ‘Gloeiende tering, daar heb je die klaploper…’

De vreemdeling licht zijn hoed op. ‘Uw spaargeld hoef ik niet, beste boer,’ schalt zijn stem over het erf. ‘Maar een beetje gastvrijheid zou u sieren.’

Een geweerloop verschijnt aan de rand van mijn blikveld. Als één kip storten ik en mijn dames ons op de boer. Het schot gaat schadeloos af en tegen de tijd dat de knechten en vrouw hem hebben kunnen bevrijden, is de vogel gevlogen.

Stel je een ruiter voor, die kalm een stoffige weg volgt langs koren dat zwart afsteekt tegen de zonsondergang. Het paard sjokt gemoedelijk voort. De ruiter draait zich om in het zadel. Hij fluit geruststellend tegen de kauw met de gespalkte vleugel die achter hem meelift en neemt een slok uit zijn waterzak.

Stel je de kippen voor in het donkere kippenhok. Allemaal zijn ze van pure uitputting in slaap gevallen. Alleen de haan is wakker en pikt eksterveren tussen zijn eigen uit. En de boer, lieve kuikens, stel je de boer voor, die woest rollen prikkeldraad tevoorschijn sleept en beloftes snauwt over bloedhonden.

Niemand zal hem meer belegeren, ook niet met vreedzame bedoelingen.

***

Dit verhaal is ontstaan uit een schrijfoefening. Ik heb twee boeken (Maaierstijd van Terry Pratchett en Rumo & de wonderen in het donker van Walter Moers) op een willekeurige plek opengeslagen. Uit elk boek heb ik de eerste (min of meer geschikte) zin waar mijn oog op viel overgeschreven, waarna ik een verhaal heb bedacht met die twee zinnen als begin en eind. Alleen in de laatste zin, van Walter Moers, heb ik de tijd veranderd.