NL / EN
Laatst bijgewerkt op 1-1-2018

Thaoryn (fragment)

Eén blik op de overkant van de rivier maakte Thaoryn duidelijk dat ze net op tijd was. Ze leunde hijgend op de brede brugleuning. Haar zwaard tikte scherp tegen de stenen toen ze haar hand ontspande. Ze liet haar hoofd hangen en luisterde naar haar ademhaling, die het geroezemoes van de naderende menigte bijna overstemde.

Beweging in het halfduister onder de brug trok haar aandacht. Een vlaggetjesslinger had zich laten meevoeren door de stroming en raakte steeds verder verstrikt in het riet. Was het echt diezelfde middag nog feest geweest? De beelden leken mijlenver weg, vervangen door suizende lucht, angstkreten, vuur.

Haar helm knelde. Ze trok aan het riempje en legde hem naast zich neer, haar blik nog op de verdronken vlaggen en de chaotische flarden herinnering. Pas toen een opgewonden uitroep en het versnellen van vele voetstappen duidelijk maakten dat ze gezien was, duwde ze zich met tegenzin overeind. Een groep mensen naderde over het pad langs het water; silhouetten tegen de rode gloed die de rookwolken boven het dorp verlichtte.

Thaoryn greep haar zwaard in een zweterige hand en veegde afwezig over de vlekken op de kling, die al begonnen op te drogen. Voor ze er erg in had, stond ze hardop te lachen. Ze had hen laten zien wat ze kon. Dorpelingen, handelaren, feestgangers: niemand in Rukasvoorde zou deze dag ooit nog vergeten.

Vier gedaantes hadden zich losgemaakt van de groep, en Thaoryn had geen licht nodig om te weten wie ze waren. ‘Je leeft!’ riep Meinar. Zijn warrige krullen sprongen rond zijn hoofd terwijl hij rende. ‘We zagen je uit de lucht vallen, we dachten, ik dacht…’

Het viertal kwam een paar passen bij haar vandaan tot stilstand, de kale Jal met zijn bierbuik als laatste. ‘Zag d’r niet uit als een val die je zomaar overleeft,’ bromde hij door zijn baard heen. Thaoryn vertrok haar gezicht. Nee, dat stuk was niet helemaal volgens plan verlopen.

De nieuweling, een roodharige tiener van wie ze de naam niet had onthouden, keek naar Jal en trok zijn wenkbrauwen op. ‘Nou, zo te zien viel het allemaal wel mee.’ Hij deed zijn best, maar kon een trilling niet uit zijn stem houden.

Achter de slungelige jongen stond de man die zo vaak bij zijn hoofddeksel genoemd was dat niemand meer wist of hij ook een echte naam had. In het donker was onder de rand van zijn strohoed alleen een haviksneus zichtbaar. Hij schonk haar een goedkeurend knikje terwijl hij zorgvuldig de pees van zijn lange boog ontspande, alsof nu pas het gevaar geweken was. Hoed deed vroeger al zelden zijn mond open, en blijkbaar was dat niet veranderd.

Hij was niet de enige met een wapen in de slordige halve cirkel die zich om haar heen verzamelde. Thaoryn zag tenminste één andere boog, een paar kruisbogen, en verder messen, een moker, en allerlei landbouwgereedschap. Onnodig, maar ze kon het initiatief van deze mensen wel waarderen – tot ze de blik van de man met de moker ontmoette. Hij staarde haar aan met een bijna teleurgestelde frons en Thaoryn besefte met een schok dat hij er de voorkeur aan had gegeven als ze was doodgevallen. Liever een ietwat zonderlinge, tragische heldin dan de gevaarlijke rariteit die nu springlevend op hem neer keek met haar veel te zwarte haar en vreemd gevormde gezicht.

Ze zocht steun bij de rest van de groep, maar de meesten ontweken haar blik. Iemand aan de zijkant maakte een teken tegen onheil. Toen ze een stap in de richting van haar oude vrienden zette, deinsden ze achteruit, en het kostte haar grote moeite om zich ervan te overtuigen dat het haar plotseling grimmige gezichtsuitdrukking moest zijn.

‘Is… Is dat allemaal van de draak?’ vroeg de roodharige met iets tussen afschuw en ontzag in.

Het duurde even voor Thaoryn begreep waar hij op doelde. Toen veegde ze met een hand over haar mouw, keek naar het bloed op haar vingers, en grinnikte opgelucht. Haar grimmige uitdrukking plus de lugubere staat van haar wambuis. ‘Grotendeels,’ antwoordde ze.

‘Dus hij is echt dood?’ vroeg een magere man met een mestvork op schrille toon.

Ze grijnsde hem triomfantelijk toe. ‘Morsdood.’

Er ging een voorzichtig gejuich op, en zelfs de man met de moker begon er vrolijker uit te zien. Liever een zwartharige rariteit dan een vuurspuwend monster. Thaoryn rechtte haar rug en ontspande de arm waarmee ze nog altijd haar zwaard vasthield. Dit begon meer te lijken op de ontvangst waarop ze gehoopt had.

‘Zeg, vergeef me als dit een stomme vraag is,’ begon een forse vrouw die een schoffel vasthield alsof het een hellebaard was, ‘maar de draken zijn toch al ik weet niet hoe lang geleden uitgeroeid?’

‘Ruim zeven eeuwen,’ zei Thaoryn. ‘De laatste hier, vlakbij Rukasvoorde.’ In feite was het aantal dorpen waar de laatste draak gedood zou zijn niet op twee handen te tellen, maar dat zouden de Rukasvoordenaren niet willen horen. ‘Ja, ik dacht precies hetzelfde… tot ik deze tegenkwam.’

‘Wanneer was dat?’ vroeg de man met de mestvork.

Zijn gezicht kwam haar bekend voor: hij had erbij gestaan toen ze die middag onder hoongelach ditzelfde verhaal vertelde. Ze besloot hem zijn vergeetachtigheid te vergeven. ‘Een week of drie geleden. Ik dacht dat ik hem was kwijtgeraakt, maar toen hoorde ik hier op het festival de geruchten.’

Een paar mensen stootten elkaar lacherig aan. ‘Kun je nagaan,’ zei iemand. ‘Elk jaar een paar dronkenlappen die beweren dat ze een draak hebben gezien – is het een keer echt waar!’

‘Ik dacht vanmorgen bij de stal al dat ik een grote schaduw zag!’ riep een stem van ergens achteraan, en ineens wilde iedereen de eerste zijn die een glimp van de draak had opgevangen. Thaoryn luisterde met een half oor. Sommige van de verhalen klonken alsof ze op waarheid gebaseerd waren, maar het maakte nu niet meer uit.

‘Wauw,’ zei Meinar. ‘Ik heb nog… Je… Het is…’ Hij gebaarde hulpeloos. ‘Wauw,’ herhaalde hij ten slotte maar.

Jal gaf hem een stomp in zijn zij en grinnikte ongemakkelijk. ‘Jij? Sprakeloos?’

Thaoryn lachte mee, zelf nog amper in staat om te geloven wat ze had gedaan. Ze veegde haar zwaard aan haar wambuis af, wat geen merkbaar verschil opleverde. Even dwaalde haar blik over de rood besmeurde kling. Het werd hoog tijd om hem schoon te maken, maar niet hier. Ze wilde haar gezicht nog in het dorp laten zien, en ze kon niet te lang meer blijven.

De discussie was inmiddels verschoven naar de vraag hoe groot de draak precies geweest was. Thaoryn greep haar helm en legde het zwaard over haar schouder, met een grimas toen ze een blauwe plek raakte. ‘Ik weet niet hoe het met jullie zit,’ zei ze luid, ‘maar ik heb iets te drinken nodig!’

‘Ik ook!’ riep de roodharige slungel hartgrondig.

Terug